Deze cursus helpt docenten om toetsing niet te zien als een los eindmoment, maar als een praktisch onderdeel van goed onderwijs. De deelnemer leert hoe je leerdoelen omzet in heldere prestaties, hoe je daar een passende toets bij kiest, hoe je eerlijk en werkbaar beoordeelt en hoe je de gemaakte keuzes vastlegt. Alles wordt toegepast op het eigen vak, de eigen module of de eigen minor.
De cursus is praktijkgericht en ontwikkelingsgericht. Dat betekent dat deelnemers tijdens de cursus stap voor stap werken aan een eigen toetsontwerp. Aan het einde van de cursus heeft iedere deelnemer een bruikbaar pakket voor de eigen onderwijspraktijk: leerdoelen, prestatie, toetsvorm, toetsmatrijs, beoordelingsaanpak, cesuur, feedbackaanpak en een compact toetsdossier.
De cursus is bedoeld voor hbo-docenten met minimale voorkennis van toetsing. De cursus past goed bij:
startende docenten;
docenten die een vak of module herontwerpen;
teams die meer lijn willen brengen in hun toetsing;
docentontwikkelaars en onderwijskundigen die een gezamenlijke basis willen leggen.
Na afloop kan de deelnemer voor een eigen onderwijseenheid een toets ontwerpen, onderbouwen, uitvoeren en verbeteren. De deelnemer kan daarbij in gewone, praktische taal uitleggen:
wat het doel van de toets is;
welke leerdoelen en prestaties centraal staan;
waarom een gekozen toetsvorm past;
hoe de beoordeling werkt;
hoe kwaliteit, duidelijkheid en werkbaarheid zijn geregeld;
hoe de toets past in het grotere geheel van het onderwijs.
De cursus draait om vier kerntaken.
Kerntaak 1: scherp maken wat studenten moeten laten zien.
De deelnemer leert leerresultaten, leerdoelen, prestaties en prestatie-indicatoren van elkaar te onderscheiden en logisch met elkaar te verbinden.
Deeltaken:
leerresultaten lezen en vertalen naar concreet docenttaalgebruik;
leerdoelen concreet formuleren;
bepalen welk gedrag, product of handelen studenten moeten laten zien;
prestatie-indicatoren opstellen die helpen bij beoordeling.
Kerntaak 2: een passende toets kiezen en ontwerpen.
De deelnemer leert toetsvormen vergelijken, keuzes maken en toetsopgaven of toetsactiviteiten ontwerpen.
Deeltaken:
formatieve en summatieve momenten onderscheiden;
toetsvormen kiezen die passen bij het leerdoel;
een toetsmatrijs maken;
toetsconstructie uitvoeren.
Kerntaak 3: zorgvuldig beoordelen en beslissen.
De deelnemer leert hoe je beoordeelt met rubrics, beoordelingscriteria, holistische beoordeling en een onderbouwde cesuur.
Deeltaken:
criteria en niveaus formuleren;
rubrics opstellen;
holistisch en analytisch beoordelen vergelijken;
een cesuur bepalen en onderbouwen;
afspraken maken over nakijken, feedback en herkansen.
Kerntaak 4: toetsing in samenhang organiseren en vastleggen.
De deelnemer leert hoe je losse toetsen verbindt in een toetsprogramma en hoe je keuzes vastlegt in een toetsdossier.
Deeltaken:
toetsen over een hele module of cursus in samenhang bekijken;
balans zoeken tussen leren, feedback, beoordelen en werkdruk;
afspraken vastleggen over tools, privacy, transparantie, begeleiding, beoordeling en verantwoordelijkheden;
een compact toetsdossier opbouwen.
De cursus bestaat uit zes thema’s. Elk thema levert een concrete prestatie op. Alle prestaties samen vormen het eindproduct van de cursus.
In dit eerste thema leren deelnemers het verschil tussen toetsen om te leren en toetsen om te beslissen. Ook leren zij dat toetsing verschillende functies heeft. Een toets kan richting geven, feedback geven, motiveren, een beslissing ondersteunen of zichtbaar maken wat een student al kan.
Leerdoelen in dit thema
De deelnemer kan uitleggen:
wat de functies van toetsing zijn;
wat het verschil is tussen formatief en summatief toetsen;
wanneer een toets vooral helpt bij leren en wanneer een toets vooral gebruikt wordt voor een besluit.
Kerntaak en deeltaken
Dit thema hoort vooral bij kerntaak 2, omdat deelnemers leren waarom ze een bepaald toetsmoment kiezen. Het raakt ook kerntaak 1, omdat de functie van een toets alleen duidelijk wordt als het leerdoel duidelijk is.
Prestatie in dit thema
De deelnemer maakt een korte toetsscan van de eigen module of het eigen vak. Daarin staat:
welke toetsmomenten er nu zijn;
welk doel elk toetsmoment heeft;
of het toetsmoment formatief of summatief is;
wat al goed werkt en wat beter kan.
Prestatie-indicatoren
De prestatie is voldoende als de deelnemer:
per toetsmoment het doel helder benoemt;
formatieve en summatieve momenten juist onderscheidt;
ten minste twee verbeterpunten noemt.
Inhoud van dit thema
De inhoud gaat over functies van toetsing, formatief toetsen, summatief toetsen en het verschil tussen oefenen, feedback krijgen en een beslissing nemen. Ook komt aan bod hoe onduidelijkheid hierover in de praktijk leidt tot verwarring bij studenten.
Voorbeeld uit het hbo
In een opleiding Verpleegkunde oefenen studenten eerst met een handeling in een skillslab. De docent geeft feedback en studenten mogen fouten maken. Dat is formatief. Pas later volgt een beoordelingsmoment waarin de student moet laten zien dat de handeling veilig en zelfstandig uitgevoerd kan worden. Dat is summatief.
Toetsing binnen de cursus
De toetsscan wordt besproken met mededeelnemers. De feedback is ontwikkelingsgericht: niet “goed of fout”, maar “wat is al helder en wat moet nog scherper?”.
Dit thema is de basis van de cursus. Deelnemers leren denken vanuit de vraag: wat moet een student aan het eind echt kunnen laten zien? Daarna vertalen zij dat naar leerdoelen, prestaties en prestatie-indicatoren. Ook komt constructive alignment aan bod: onderwijs, leerdoelen en toetsing moeten logisch op elkaar aansluiten.
Leerdoelen in dit thema
De deelnemer kan:
leerresultaten vertalen naar concrete leerdoelen;
een prestatie formuleren die laat zien wat de student moet doen of maken;
prestatie-indicatoren opstellen die helpen om die prestatie herkenbaar te beoordelen;
uitleggen wat constructive alignment is en het toepassen op een eigen vak.
Kerntaak en deeltaken
Dit thema hoort vooral bij kerntaak 1. De deelnemer leert doelen vertalen naar zichtbaar studentgedrag en maakt daarmee de basis voor de rest van de cursus.
Prestatie in dit thema
De deelnemer ontwerpt voor een eigen onderwijseenheid:
één of meer concrete leerdoelen;
één centrale prestatie;
bijpassende prestatie-indicatoren;
een korte toelichting op de samenhang tussen doel, onderwijsactiviteit en toetsing.
Prestatie-indicatoren
De prestatie is voldoende als:
de leerdoelen concreet en observeerbaar zijn;
de prestatie echt laat zien wat de student moet kunnen;
de prestatie-indicatoren bruikbaar zijn bij beoordeling;
de samenhang tussen doel, onderwijs en toets logisch is.
Inhoud van dit thema
Aan bod komen leerresultaten, leerdoelen, prestaties, prestatie-indicatoren en constructive alignment. Er wordt steeds gewerkt vanuit voorbeelden, zodat deelnemers zien hoe abstracte eindtermen kunnen worden omgezet naar bruikbare docenttaal.
Voorbeeld uit het hbo
In een opleiding Commerciële Economie is een breed leerresultaat: “de student ontwikkelt een onderbouwd marketingadvies”. Dat wordt in een vak vertaald naar een leerdoel zoals: “de student analyseert een doelgroep op basis van data en formuleert een passend advies”. De prestatie is dan bijvoorbeeld een adviesrapport met pitch. Prestatie-indicatoren zijn onder meer: juiste analyse, logische redenering, onderbouwing met data en haalbare aanbevelingen.
Toetsing binnen de cursus
De deelnemer levert een eerste versie van de eigen leerdoelen en prestatie in. De docent geeft gerichte feedback op helderheid, haalbaarheid en samenhang.
In dit thema staan vier kwaliteitseisen centraal: validiteit, betrouwbaarheid, uitvoerbaarheid en transparantie. Deze woorden worden steeds praktisch uitgelegd.
Validiteit betekent: meet je echt wat je wilt meten?
Betrouwbaarheid betekent: komt er een stabiele en eerlijke beoordeling uit?
Uitvoerbaarheid betekent: is de toets haalbaar in tijd, organisatie en werkdruk?
Transparantie betekent: snappen studenten vooraf wat er van hen wordt verwacht en hoe de beoordeling werkt?
Leerdoelen in dit thema
De deelnemer kan:
deze vier kwaliteitseisen in gewone taal uitleggen;
sterke en zwakke punten van een toets benoemen;
verbeterkeuzes maken die passen bij de eigen context.
Kerntaak en deeltaken
Dit thema hoort bij kerntaak 2 en 3. De deelnemer leert namelijk niet alleen een toets kiezen, maar ook bewaken dat die toets eerlijk, passend en werkbaar is.
Prestatie in dit thema
De deelnemer maakt een kwaliteitscheck van de eigen toets. Daarbij beschrijft de deelnemer:
hoe de toets past bij het leerdoel;
hoe de beoordeling zo eerlijk mogelijk wordt gemaakt;
hoe de toets werkbaar blijft voor docent en student;
hoe de toets duidelijk wordt gecommuniceerd.
Prestatie-indicatoren
De prestatie is voldoende als:
alle vier kwaliteitseisen aan bod komen;
de analyse gekoppeld is aan de eigen toets;
de deelnemer concrete verbeteracties benoemt.
Inhoud van dit thema
Er wordt gewerkt met praktische vragen. Meet deze toets echt de vaardigheid? Krijgen vergelijkbare prestaties een vergelijkbare beoordeling? Is de planning haalbaar? Weten studenten wat telt en waarom? Ook komen praktische afspraken aan bod over tools, privacy, transparantie, begeleiding, beoordeling en verantwoordelijkheden.
Voorbeeld uit het hbo
In een ICT-opleiding wil een docent samenwerking beoordelen in een groepsproject. Alleen het eindproduct beoordelen is dan niet genoeg als samenwerken zelf een leerdoel is. Er moeten dan ook aanwijzingen zijn over ieders bijdrage, bijvoorbeeld logboeken, peer feedback of korte individuele toelichtingen. Dat vergroot de validiteit.
Toetsing binnen de cursus
Deelnemers bespreken hun kwaliteitscheck in duo’s en gebruiken een eenvoudig feedbackformulier met de vier kwaliteitseisen.
Nu de doelen helder zijn en de kwaliteitseisen bekend zijn, kiezen deelnemers een passende toetsvorm. Daarna ontwerpen zij de toets verder. In dit thema komen verschillende toetsvormen aan bod, zoals kennistoetsen, beroepsproducten, presentaties, casustoetsen, portfolio’s, mondelinge toetsen en praktijkbeoordelingen. Ook leren deelnemers een toetsmatrijs maken.
Leerdoelen in dit thema
De deelnemer kan:
een passende toetsvorm kiezen voor een leerdoel en prestatie;
een toetsmatrijs maken;
een toetsopgave, opdracht of beoordelingssituatie ontwerpen;
uitleggen waarom de gekozen vorm beter past dan mogelijke alternatieven.
Kerntaak en deeltaken
Dit thema hoort vooral bij kerntaak 2. Hier wordt het ontwerp echt concreet.
Prestatie in dit thema
De deelnemer maakt:
een keuze voor een toetsvorm;
een toetsmatrijs;
een eerste versie van de toets of toetsopdracht.
Prestatie-indicatoren
De prestatie is voldoende als:
de toetsvorm logisch aansluit op het leerdoel;
de toetsmatrijs laat zien wat wordt getoetst en in welke verhouding;
de toetsopdracht helder is voor studenten.
Inhoud van dit thema
De inhoud gaat over toetsvormen, toetsconstructie en toetsmatrijzen. Deelnemers leren dat een toetsmatrijs helpt om bewuste keuzes te maken: welke doelen neem je op, hoeveel gewicht krijgen ze en welke onderdelen van de toets horen daarbij?
Voorbeeld uit het hbo
Bij een leerdoel als “de student voert een intakegesprek professioneel en gestructureerd” past een meerkeuzetoets niet goed als enige toetsvorm. Een gesimuleerd gesprek, opname of live beoordeling past beter. Een meerkeuzetoets kan wel ondersteunend zijn voor kennis van gesprekstechnieken, maar niet als hoofdtoets voor het handelen zelf.
Toetsing binnen de cursus
De toetsmatrijs en de toetsopzet worden besproken in een online werksessie. De docent let vooral op de vraag of de gekozen vorm echt past bij de prestatie.
In dit thema leren deelnemers hoe ze de beoordeling duidelijk en werkbaar maken. Ze leren beoordelingscriteria formuleren, een rubric opbouwen en bewust kiezen tussen analytisch en holistisch beoordelen. Ook leren zij hoe een cesuur tot stand komt.
Analytisch beoordelen betekent dat je prestaties uitsplitst in onderdelen en elk onderdeel apart beoordeelt.
Holistisch beoordelen betekent dat je de prestatie als geheel beoordeelt op basis van een totaalindruk, met duidelijke ankerpunten.
Leerdoelen in dit thema
De deelnemer kan:
bruikbare beoordelingscriteria formuleren;
een eenvoudige rubric maken;
uitleggen wanneer holistisch beoordelen passend is;
een cesuur onderbouwen die past bij de toets.
Kerntaak en deeltaken
Dit thema hoort vooral bij kerntaak 3.
Prestatie in dit thema
De deelnemer ontwerpt voor de eigen toets:
een beoordelingsmodel met criteria;
een rubric of holistisch beoordelingskader;
een voorstel voor de cesuur;
afspraken voor feedback en beoordeling.
Prestatie-indicatoren
De prestatie is voldoende als:
criteria helder en concreet zijn;
het beoordelingsmodel aansluit op de prestatie-indicatoren;
de gekozen vorm van beoordelen onderbouwd is;
de cesuur uitlegbaar en verdedigbaar is.
Inhoud van dit thema
Aan bod komen beoordelen, holistisch beoordelen, rubrics en cesuur. Er wordt ook besproken hoe je beoordelaars helpt om meer gelijk te beoordelen, bijvoorbeeld met voorbeeldwerk, kalibratiesessies en korte nakijkafspraken.
Voorbeeld uit het hbo
Bij een eindpresentatie in een lerarenopleiding kan een rubric handig zijn wanneer meerdere beoordelaars betrokken zijn. Bij een integrale beroepsprestatie, zoals het draaien van een les of het voeren van een cliëntgesprek, kan een holistische beoordeling beter passen, omdat het geheel meer zegt dan losse onderdelen.
Toetsing binnen de cursus
Deelnemers beoordelen samen twee korte voorbeeldproducten met hun eigen rubric of beoordelingskader. Daarna vergelijken zij hun scores. Zo zien zij meteen waar de betrouwbaarheid nog sterker kan.
In het laatste thema kijken deelnemers niet meer alleen naar één toets, maar naar de samenhang in de hele onderwijseenheid. Hier komt het toetsprogramma aan bod: de bewuste combinatie van toetsmomenten, feedback, bewijs en besluiten. Ook leren deelnemers wat in een toetsdossier moet staan.
Een toetsprogramma helpt om verspreid over de tijd passende informatie te verzamelen over het leren van studenten. Een toetsdossier is de plek waar je vastlegt wat je doet, waarom je dat doet en hoe de beoordeling is geregeld.
Leerdoelen in dit thema
De deelnemer kan:
een eenvoudig toetsprogramma ontwerpen voor een vak of module;
uitleggen welke documenten in een toetsdossier thuishoren;
verbeterpunten formuleren op basis van evaluatie.
Kerntaak en deeltaken
Dit thema hoort vooral bij kerntaak 4.
Prestatie in dit thema
De deelnemer levert een compact toetsdossier op voor de eigen onderwijseenheid. Dat dossier bevat:
leerdoelen en prestatie;
gekozen toetsvorm(en);
toetsmatrijs;
beoordelingsmodel of rubric;
cesuur;
korte toelichting op validiteit, betrouwbaarheid, uitvoerbaarheid en transparantie;
overzicht van formatieve en summatieve momenten;
afspraken over tools, privacy, begeleiding, beoordeling en verantwoordelijkheden.
Prestatie-indicatoren
De prestatie is voldoende als:
het dossier volledig en logisch opgebouwd is;
keuzes zichtbaar gekoppeld zijn aan leerdoelen en prestaties;
formatieve en summatieve onderdelen in samenhang zijn uitgewerkt;
het dossier bruikbaar is voor collega’s en studenten.
Inhoud van dit thema
De inhoud gaat over toetsprogramma’s, toetsdossiers en het verbeteren van toetsing op basis van ervaringen. Ook komt aan bod hoe je studenten vooraf duidelijk informeert en hoe je als team afspraken maakt die uitvoerbaar zijn.
Voorbeeld uit het hbo
In een projectmodule van Bouwkunde kan het toetsprogramma bestaan uit een korte diagnostische startopdracht, tussentijdse feedback op schetsen, een conceptbespreking, een eindproduct en een mondelinge toelichting. Samen geven deze momenten een veel beter beeld dan alleen een eindbeoordeling.
Toetsing binnen de cursus
Het toetsdossier is het eindproduct van de cursus. De beoordeling is summatief binnen de cursus, maar de route ernaartoe is sterk formatief.
De cursus gebruikt zelf dezelfde principes die zij leert.
De cursus bevat formatieve en summatieve onderdelen.
Formatieve onderdelen
feedback op de toetsscan;
feedback op leerdoelen en prestaties;
bespreking van de kwaliteitscheck;
peer feedback op toetsmatrijs en toetsopzet;
gezamenlijke oefening met beoordelen.
Summatief onderdeel
het eindproduct is een volledig en onderbouwd toetsdossier voor de eigen onderwijspraktijk.
Het eindproduct wordt beoordeeld op vijf punten:
de samenhang tussen leerdoelen, onderwijs en toetsing;
de kwaliteit van de gekozen toetsvorm;
de helderheid van criteria, rubric of holistisch beoordelingskader;
de onderbouwing van cesuur en kwaliteitskeuzes;
de bruikbaarheid van het dossier in de eigen praktijk.
Omdat het om een online cursus gaat, is de didactiek eenvoudig en werkbaar ingericht. De cursus combineert korte uitleg, voorbeelden, toepassing en feedback.
Geschikte werkvormen zijn:
korte kennisclips met één kernvraag per clip;
uitgewerkte hbo-voorbeelden;
templates voor leerdoelen, toetsmatrijs en rubric;
peer feedback in duo’s;
online ontwerpsessies met gedeelde documenten;
bespreking van voorbeeldwerk en voorbeeldbeoordelingen;
korte reflecties op de eigen onderwijspraktijk.
Na afloop heeft de deelnemer niet alleen meer kennis over toetsing, maar vooral een concreet product dat direct kan worden gebruikt of verder kan worden ingevoerd in het eigen vak. De deelnemer heeft dan:
heldere leerdoelen;
een uitgewerkte prestatie;
prestatie-indicatoren;
een passende toetsvorm;
een toetsmatrijs;
een beoordelingsaanpak met rubric of holistisch kader;
een cesuur;
een overzicht van formatieve en summatieve momenten;
een compact toetsdossier.
De gekozen opbouw werkt omdat de cursus begint bij het doel van toetsing, daarna de vertaalslag maakt naar leerdoelen en prestaties, vervolgens de kwaliteit van toetsing bespreekt, daarna het ontwerp en de beoordeling uitwerkt en ten slotte de samenhang in het grotere geheel borgt. Zo bouwen deelnemers stap voor stap aan iets dat meteen bruikbaar is in hun eigen onderwijs.